Pg 35

‘Amma, wat ben je aan het doen? Hoorde je de bel niet?’ Ik slingerde mijn jas en de tas met boodschappen op de vloer en kuste haar gedag. Ze leek me wat bedremmeld.
‘Je bent koud. Is het zo fris buiten? Waar zijn de kindjes?’
‘De meisjes zijn thuis. Waar is je rollator?’
‘Ik heb zo gezocht, maar nu heb ik het gevonden,’ zei ze vermoeid.
Ik snapte niet waar ze op doelde.
‘Ik wil graag dat je wat voor me uitzoekt.’ Het klonk gedecideerd. Ze stak me een klein, vierkant doosje toe, dat ze blijkbaar zojuist uit het ebbenhouten juwelenkistje had gevist dat onder in haar klerenkast stond, verstopt onder een stapel kousen. Door de transparante bovenkant zag ik wat erin zat.
‘Ik wil deze ring aan mijn halfbroer geven. Kan jij met je computer uitzoeken waar hij woont? Margit en ik willen dat ons broertje de familiering krijgt.’
‘Halfbroer? Hoezo, halfbroer?’ Ik keek verbaasd van de mij onbekende zegelring naar mijn oma, en weer terug. Het was een imposante gouden ring, met een zilveren ingelegd zegel. Ik
nam hem uit het doosje. Het ovale zegel werd aan weerszijden gedragen door de uitstaande, gekrulde vleugels van twee gouden engelen wier onderlijven in de ronding van de ring waren
versmolten. In het zilver was een adelaar gegraveerd die zijn vleugels opsloeg. Daarboven stond een rangkroontje met zeven getopte punten: de kroon van een baron. Het was het familiewapen
van de Eperjesy’s, de familienaam van Elfi’s vader Árpád.
‘Péter. Misschien dat jij hem wel vindt. Heb je melk voor me meegenomen?’

Pg 199

Overal waar ik deze dagen kom, loop ik in de voetstappen van Árpád en wordt de geschiedenis van het land ineens tastbaar voor mij. Mijn overgrootvader, van wie ik nog altijd zo weinig weet, verbindt mij met deze stad. En dat niet alleen. Straatnamen, maar vooral ook de bruggen over de Donau tussen de stadsdelen Boeda en Pest, verbinden mij met het verhaal dat ik nu al maanden probeer te achterhalen. De Széchenyibrug, bij de toeristen bekend als de Kettingbrug, met aan weerszijden de wakende leeuwen, brengt me terug naar Armgard. Haar huwelijksdag moest met een dag worden uitgesteld, omdat Béla’s diplomatenvriend Imre Széchenyi, neefje van de beroemde brugarchitect István Széchenyi, daarbij aanwezig diende te zijn maar hij niet eerder kon komen. Deze Imre Széchenyi ondertekende een minutieus geschilderde en door Elfi ingelijste Eperjesy-stamboom van haar man Béla. De lijst hangt nu in onze slaapkamer.
De brug van Imres oom werd, net als de andere bruggen, in januari 1945 door de Duitsers opgeblazen om de opmars van de Russen in de stad te vertragen. Vier jaar later stond hij er weer in de oorspronkelijke vorm.
Ik loop langs de Árpádbrug, de Margitbrug, de Elisabethbrug, de Andrássyboulevard, de Petőfibrug.
Sándor Petőfi was een dichter uit de tijd van Bettina. Zij bewonderde hem, noemde hem ‘Zonnegod’. Hij had in het revolutiejaar 1848 zijn gedicht ‘Lied van het volk’ gedeclameerd aan een menigte opstandelingen. Bettina vond hem de origineelste van alle lyrische dichters in de wereldliteratuur.
Hier in Boedapest voel ik me op mijn plek. Ik ben omringd door het grote geheel. Waarom Elfi zo dol was op deze stad en haar inwoners begrijp ik zo langzamerhand ook beter.

pg 174

De dubbelmonarchie – het voormalige Habsburgse Rijk – stond op instorten. Alles waar Béla voor had geijverd, de consolidatie van het land, vrede op de Balkan; het was voor niets geweest.
De kleine succesjes bestonden uit de herovering van de landstreken Galicië en Boekovina. En er was hoop dat ze met de ongeorganiseerde Italianen nog wel korte metten konden maken.
Béla kon zijn vrouw nu niet om zich heen velen. Ze had geprobeerd op hem in te praten, hem te vertellen dat het wel goed zou komen. ‘Houd je mond toch eens,’ had hij haar toegeblaft.
‘Ze zijn nu niet ver meer. De Italianen hebben ons de oorlog verklaard, de schijnheilige verraders. Het zijn niet langer onze bondgenoten. Ik heb het zien aankomen. Ze zijn overgelopen, uit onze Alliantie gestapt. Charlatans. Nu hebben we ze in onze achtertuin. Begrijp je het dan niet? Zuid-Tirol kan zomaar in Italiaanse handen vallen. Dat is wat ze willen en dat is wat ze is beloofd. Alles wat we hebben, is in gevaar. Hoe kan ik mijn bezittingen in veiligheid brengen? Deze oorlog verliezen is gewoonweg geen optie.’
Zijn nervositeit was overgeslagen op het gemoed van Ilona. Het zwakzinnige kind van vijfentwintig jaar. ‘Mamamamamama,’ jammerde Ilona, terwijl ze met haar lichaam tegen haar moeder aan begon te beuken. Armgard had zich naar haar toe gedraaid en haar dochter gedecideerd bij de hand genomen. ‘Kom mee, Mausie.’ Ze trok Ilona mee naar de kapel van Sant’Erasmo, hun privékerkje. De zware houten deur was open. Béla had hier vanmorgen blijkbaar ook geprobeerd tot een inzicht te komen. Armgard pakte Ilona bij de schouders. Met een hand duwde ze haar kin omhoog en probeerde haar dochter haar in de ogen te laten kijken. ‘Ilona, kalm nu. Je vader is nerveus. Het komt wel goed. Ga hier zitten.’ Hoewel Ilona geen oogcontact maakte, bedaarde ze enigszins. Met zachte hand zette Armgard haar op de koorstoel voor het kleine altaar. Ilona schoof haar voeten onrustig heen en weer over het rode tapijt. Ze jammerde zachtjes door.
Armgards hand rustte op Ilona’s knie. Na tien minuten was het stil in de kapel. Ze keek naar de knielende terracotta engelen, naar de schalen uit Teheran, naar het heilige reliëf van Luca della Robbia en de Madonna met kind van Settignano. Ten slotte bleef haar blik rusten op De heilige Magdalena van Guercino, een van de topstukken uit de verzameling van haar echtgenoot.
Armgard wist dat Béla’s nervositeit gegrond was. Hij kende het politieke klappen van de zweep als geen ander. De oorlog was de Wehrburg voelbaar genaderd. Armgard pakte haar dochters handen en vouwde ze samen. Strak in elkaar geklemd liet Ilona haar handen rusten op haar schoot.‘Goed zo, Mausie, laten we bidden tot de lieve God.’ Toen vouwde ze haar eigen handen en sloot haar ogen. Ze hoorde hoe haar gefluisterde Wees gegroet Maria helder maar gejaagder dan ooit door de kapel klonk. Achter zich voelde ze de aanwezigheid van haar die altijd bij Armgard was, in goede en in slechte tijden.