Don’t goooo

In Geen categorie by Olga MajeauLeave a Comment

Don’t goooo

Eind jaren ’80 bivakkeerde ik op een zoldertje van pak-‘m-beet 2,5 x 2,5 meter in een Utrechts studentenhuis, waarin uiteraard het cliché opging dat het er vreselijk goor, maar ook vreselijk gezellig was: etentjes, feestjes, het woordenboekspel in de bovenkeuken waar de berg afwas gestaag aangroeide. Met regelmaat voelde ik mij klein en verloren in de grote stad, in de studie en in het leven dat ik bij vlagen behoorlijk angstaanjagend vond, maar gelukkig had ik mijn Kenwood-versterker, m’n cassettedek en m’n cd-speler om de blues te verjagen of er juist geheel in op te gaan. Ik zette de volumeknop gewoon wat harder om de muziek van mijn buurstudenten, die wat dat betreft natuurlijk een véél slechtere smaak hadden dan ik, te overstemmen met nummers van onder meer The Waterboys, Talk Talk (in de herhaling schuilt blijkbaar de kracht), The The, (idem), U2, Marillion, The Chili Peppers, The Talking Heads en The Nits, af en toe afgewisseld met een nummertje Liszt en een pingeltje Paco de Lucia.

Hoewel ik voordat ik ging studeren elke avond naar de Avondspits luisterde, en dan klaar zat om met twee vingers tegelijk de knoppen REC en PLAY in te drukken om mijn cassettebandjes zo strak mogelijk (i.e. zonder de stem van de dj, ook al was dat die van Frits Spits) mee te vullen, was het vooral mijn toenmalige vriendje dat me inwijdde in bands die ik nog niet kende. Hij nam me vaak mee naar concerten. Mijn liefde voor The Waterboys ontstond mede dankzij hem.

In de tijd dat ik dat kamertje onder het schuine dak bewoonde – het was inmiddels uit met het muziekvriendje – bleef ik naar concerten gaan. Zo zat ik op een avond in Vredenburg bij een Ierse band waarvan er een nummer constant op Hilversum 3 gespeeld werd: ‘Don’t go’. Een aardig liedje om mee te neuriën, maar niet direct van het kaliber dat ik in mijn top 10 zou zetten. Desondanks schafte ik de cd aan en daar stond genoeg aardigs op om met wat er in mijn basisbeursknip zat een kaartje voor het concert van te willen kopen.

Ik weet niet of ik me er tevoren veel bij had voorgesteld, en ik weet ook niet meer met wie ik erheen ging, maar … wat was het verrassend goed! Zeker één voor in mijn top 3 van concerten. Aan het eind van het optreden keek ik vanaf mijn plek bovenin de karakteristieke Vredenburgzaal toe hoe de halve zaal in de toegift het podium opklom, en hoe zanger/pianist Liam Ó’Maonlaí met zijn lange, blonde lokken en blote voeten vurig door bleef spelen te midden van de opgezweepte menigte: Don’t gooooo.
Toen ik geheel in euforie van Vredenburg de paar straten richting m’n zoldertje terug dartelde, dwars over de parkeerplaats die nu veranderd is in kabbelend Weerdsingelwater, was ik trots dat de ontdekking van dit bandje nu eens helemaal de mijne was.

De afgelopen week had ik het geluk om de twee frontmannen van de Hothouse Flowers: Liam en gitarist Peter O Toole, inmiddels al lang sterren van wereldformaat, opnieuw te zien optreden. Drie totaal van elkaar verschillende, intieme concerten van dit duo bezocht ik, waarvan de laatste gisteravond ergens eindigde in een huiskamer – een goed bewaard geheim – die niet eens zo heel veel groter leek dan mijn zolderkamertje van weleer.
Het publiek had voor het overgrote deel grijze haren. Met enige weemoed realiseerde ik me dat ik die inmiddels natuurlijk ook al lang heb.
Een aantal van deze mensen was dertig jaar geleden dat podium in Vredenburg op geklommen.

Nu zaten we braafjes op een rijtje gehuurde stoelen, stelden onszelf aan elkaar voor, een glas prosecco in de hand, en werden we geraakt door de bezielde en door een paar Westmalles gesmeerde stem van Liam, die er óók niet jonger, maar wel nog veel ‘soulfuller’ op was geworden. We deinden mee op de woeste gitaarklanken van Peter, die in dertig jaar de tand des tijds iets beter doorstaan had. Het ene nummer klonk nog weer mooier, intenser en ontroerender dan het andere.
Mijn concert-top-3 zal ik weer eens aanpassen: dit optreden moet er zeker in!
Aan het eind stonden we voorzichtig op, volgden er nog een paar prachtige toegiften en zongen we vol overgave Don’t goooo mee.
In mijn hart was ik weer twintig, en ging ik, zij het nogal beheerst vanwege een sluimerende ischias, heerlijk uit mijn dak, het imaginaire dak van m’n oude zolderkamertje indachtig, daar waar mijn buurvrouw hard op de muur bonkte toen ik ‘Don’t go’ schaamteloos hard en vals als een kraai mee blèrde.

Leave a Comment